Betula ermanii (goudberk) is afkomstig uit Noordoost-Azië, met een verspreidingsgebied in onder andere Japan, Korea, Kamtsjatka, Sachalin en delen van Noordoost-China. De soort groeit van nature in koele, bergachtige gebieden, vaak nabij de boomgrens met onder andere Fraxinus mandshurica, Phellodendron amurense en Magnolia obovata. Deze snelgroeiende pionierssoort is in staat steile hellingen te koloniseren met een dunne en arme bodem en vormt daar een meerstammige struik. Hij bereikt op goede groeiplaatsen een hoogte van vijftien tot twintig meter (onder natuurlijke omstandigheden tot dertig meter), met een kroonbreedte van acht tot tien meter. De kroon is vaak gesloten, eirond tot rond en later grillig van vorm, met opgaande tot spreidende takken. De goudberk heeft de neiging tot vergaffelen en heeft dus vaak een korte stam die snel vertakt of meerstammig.
Betula ermanii valt vooral op door zijn lichtgekleurde, afschilferende bast, die varieert van roomwit tot geelachtig, lichtroze of licht oranjebruin en in dunne lagen loslaat. Jonge twijgen zijn stevig, kaal, met horizontale lenticellen en roodbruin van kleur. De bladeren van de goudberk ontluiken uit kleverige bladknoppen en zijn driehoekig tot eirond, met een spitse top en een grof gezaagde rand. Ze lopen al heel vroeg in het jaar frisgroen uit, verkleuren naar donkergroen in de zomer en zijn opvallend spectaculair goudgeel gekleurd in de herfst. In april verschijnen de typische geelgroene katjes, waarbij mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde boom voorkomen (eenhuizig). De mannelijke katjes zijn hangend, terwijl de vrouwelijke katjes korter en rechtopstaand zijn en na bestuiving uitgroeien tot cilindrische vruchtkatjes met talrijke gevleugelde zaden.
Dit is een sterke en winterharde soort die uitstekend geschikt is voor toepassing in parken, landschappen en grotere tuinen, vooral in koelere klimaten. Betula ermanii groeit het best op goed doorlatende, licht zure tot neutrale bodems, maar verdraagt ook arme en stenige gronden. Hij kan niet goed tegen wind, langdurige hitte en droogte. De soort prefereert een standplaats in volle zon en wordt vaak toegepast als solitair vanwege zijn opvallende bast en ruige habitus.