Quercus robur (zomereik) is een van de meest karakteristieke en wijdverspreide loofbomen van Europa. Het natuurlijke verspreidingsgebied strekt zich uit van Ierland en Zuid-Scandinavië tot West-Rusland en van Zuid-Europa tot de Kaukasus. De soort groeit van nature in gemengde loof- en rivierbegeleidende bossen en op voedselrijke laagvlakten, waar zij uitgroeit tot een dominante boomsoort in climaxbossen. De zomereik bereikt doorgaans een hoogte van vijfentwintig tot vijfendertig meter en een kroonbreedte van twintig tot dertig meter. Jonge bomen hebben een breed eironde kroon, die uitgroeit tot een brede, onregelmatig ronde tot koepelvormige, halfopen kroon met zware gesteltakken en een krachtige, vaak korte stam.
Het omgekeerd eironde blad is 7 tot 14 cm lang, heeft vier tot zeven afgeronde lobben aan weerszijden en een karakteristiek korte bladsteel. Het loopt geelgroen tot bronskleurig uit, is in de zomer donkergroen en verkleurt in de herfst geelbruin tot bruin. Jonge bomen behouden het blad soms gedurende de winter. In mei, gelijktijdig met het uitlopen van het blad, verschijnen de mannelijke bloemen in geelgroene katjes en de vrouwelijke bloemen afzonderlijk of in kleine groepjes. De 2 tot 4 cm lange eikels staan op lange stelen en rijpen in september of oktober. De bast is aanvankelijk glad en grijs, maar wordt later donkergrijs tot grijsbruin en diep gegroefd. Jonge twijgen zijn rood- tot grijsbruin en dragen stompe, eivormige eindknoppen.
Quercus robur is een veelzijdige boom voor lanen, parken, bossen, landschappen en als monumentale solitair. De soort groeit het best op diepe, voedselrijke, vochtige zand-, leem- en kleigronden en verdraagt tijdelijke wateroverlast beter dan de wintereik (Quercus petraea). Dankzij de diepe penwortel en het uitgebreide wortelstelsel is de boom goed windvast en kan hij zeer oud worden. Hij groeit het best op een zonnige tot licht beschaduwde standplaats en behoort tot de ecologisch waardevolste boomsoorten; hij biedt voedsel en leefgebied aan honderden soorten insecten, vogels, zoogdieren, schimmels en korstmossen.