Styphnolobium japonicum (Japanse honingboom) is een van de mooiste loofbomen uit de vlinderbloemigen familie. Afkomstig uit Centraal- en West-China en Korea, ondanks de soortnaam die naar Japan verwijst. Vanuit China is de soort al eeuwen geleden in Japan in cultuur gebracht, en in 1747 via Frankrijk ook in Europa geïntroduceerd. De kroon is breed, rond en op latere leeftijd vaak onregelmatig gevormd, met een grillige takstructuur met een bochtige stam en sterk vergaffelende kroon en een relatief open karakter op latere leeftijd. De boom bereikt doorgaans een hoogte van vijftien tot achttien meter, met een kroonbreedte van veertien tot achttien meter.
De bladeren lopen helder groen uit en zijn oneven geveerd, met ovale deelblaadjes. In de zomer verkleurt de boom donkergroen om in de herfst prachtig goudgeel te verkleuren. In augustus – september verschijnen de roomwitte grote, losse pluimen, die rijk zijn aan nectar en vanwege de late bloei zeer aantrekkelijk voor insecten. Na de bloei ontstaan karakteristieke peulvruchten die insnoeringen vertonen tussen de zaden, waardoor ze een kettingachtig uiterlijk hebben. Zowel bloei als vrucht hebben een lange warme zomer nodig om zich rijk te ontwikkelen en deze verschijnen pas bij bomen op latere leeftijd. De bast is grijsbruin en wordt met de leeftijd licht gegroefd. Jonge twijgen zijn donkergroen met duidelijke witte lenticellen, glad en vaak iets glanzend, wat de boom ook in de winter een herkenbaar beeld geeft.
Styphnolobium japonicum is een zeer bruikbare stads- en parkboom, gewaardeerd om zijn sierlijke kroon, late bloei en goede tolerantie voor stedelijke omstandigheden. Hij groeit het best op goed doorlatende, voedselrijke bodems, maar verdraagt ook drogere en armere gronden. De soort is relatief droogtetolerant en goed bestand tegen hitte en luchtvervuiling, wat hem geschikt maakt voor toepassing langs straten, pleinen en in stedelijke omgevingen. Hij prefereert een standplaats in volle zon en is minder gevoelig voor bodemverdichting dan veel andere boomsoorten, al blijven langdurig natte bodems ongeschikt.