Tilia cordata (winterlinde, kleinbladige linde) is inheems in grote delen van Europa en komt meer voor dan Tilia platyphyllos, met een zwaartepunt in Centraal- en Oost-Europa. Van nature groeit de soort in gemengde loofbossen en langs bosranden, vaak op voedselrijke, kalkhoudende bodems. 6000 tot 3500 jaar geleden was deze boom, naast de eik, een van de meest voorkomende soorten in West-Europa. Ze groeiden op de beste gronden - waar later landbouw en steden op gevestigd zijn - en werden veel gebruikt voor bladhooi, waardoor de boom in aantal afnam. De winterlinde kan twintig tot vijfentwintig meter (en in het wild zelfs dertig meter) hoog worden. In de jonge jaren is de kroon smal kegelvormig, deze wordt later breed eirond tot ovaal, met een halfopen tot dichte vertakking.
Het blad van Tilia cordata loopt twee weken later uit dan het loof van de zomerlinde. Het is klein, hartvormig scherp toegespitst, en donkergroen van kleur met een blauwgroene onderzijde. In de oksels van de nerven aan de onderkant bevinden zich de kenmerkende, roestbruine haarpluimpjes. In juni bloeit de winterlinde met lichtgele, sterk geurende bloemen in opstaande tuilen van vijf tot tien bloemen, die veel bijen aantrekken. Na de bloei ontstaan kleine, ronde, houtige en viltig behaarde nootjes met vijf ondiepe ribben. De schors is aanvankelijk glad en grijs, maar wordt op latere leeftijd donkerder en ondiep gegroefd. De jonge twijgen zijn groen, later roodbruin en vaak kaal.
Tilia cordata is een veelzijdige boom die geschikt is voor straten, lanen, parken en bosschages, mede dankzij zijn goede (zee)wind- en vorstbestendigheid. Hij verdraagt droogte, luchtvervuiling, verharding en stedelijke omstandigheden beter dan veel andere lindesoorten, en is daarom geliefd in stedelijke omgevingen. De boom groeit het best op voedzame, goed doorlatende bodems, maar kan zich ook handhaven op zand- of leemgronden met een matig vochtgehalte. Een standplaats in de volle zon tot halfschaduw is ideaal. Tilia cordata is vrijwel ongevoelig voor bladluis, als er voor een goede groeiplaatsinrichting wordt gezorgd.