Meer groen en minder verharding is een eenvoudige en snelle manier om meer leven mogelijk te maken. De bebouwde omgeving maken we aantrekkelijk voor meer soorten door te zorgen voor een gelaagde en gevarieerde opbouw in de beplanting van bloembollen, vaste planten, struiken en bomen maar ook klimplanten. Ze bieden voedsel (nectar, pollen, noten, vruchten, bladeren en koppen), beschutting en onderdak voor vele soorten vogels, zoogdieren en insecten. Het is daarbij van belang leefgebieden zoals sloten, struwelen en bermen met elkaar te verbinden zodat soorten kunnen migreren. Bomen vormen een essentieel onderdeel van het leefklimaat door hun volume, structuur en onderlinge verschillen. Bomen ondersteunen ook een grote verscheidenheid aan andere plantensoorten zoals mossen en varens. Kijken we naar de soortenrijkdom van gebieden op kleinere schaal dan is het opvallend dat in steden de soortenrijkdom veel hoger ligt dan op het platteland. Dit heeft een aantal redenen, maar de belangrijkste factor die een rol speelt, is de aanwezigheid van de vele microklimaten. In steden en zeker in tuinen is veel ruimte voor microklimaten, nestgelegenheid en langere bloeitijden om insectensoorten een plek te bieden. Op het platteland daarentegen is ongeveer 60% van de kleinschalige landschapselementen, zoals kleine waterpartijen, bermen en overhoeken, heggen en hagen, verdwenen door schaalvergroting en verstedelijking. Kortom de kansen liggen in de stad.