Onderhoudssnoei probleemtakken
Gebroken en dode takken worden altijd als eerste verwijderd, omdat ze gevaar opleveren bij afbreken en een bron zijn voor binnendringende ziektes. Gebroken takken worden tot op een zijtak verwijderd. Bij goed aanplantmateriaal zullen deze takken nauwelijks voorkomen. Mochten er toch veel dode takken in de kroon zitten dan kan dit duiden op een slechte groeiplaats of lichtgebrek door overhangende bomen.
Bij een plakoksel zit de tak tegen de stam van de boom aangeplakt en groeit in dezelfde richting als de stam. Een plakoksel is te herkennen aan een V-vormig oksel. Tussen de stam en een plakoksel zit bastinsluiting en daardoor ontbreekt hechte vergroeiing. Naarmate de tak met plakoksel ouder en dus groter wordt, neemt het gevaar op uitbreken toe. Of de tak verwijderd moet worden, hangt af van de dikte van de tak, de aanhechting daarvan en van het feit of uitbreken door de positie van de boom gevaar oplevert.
Dit zijn takken die ontstaan doordat slapende knoppen of adventiefknop op de stam of op dikkere takken uitlopen en die krachtig groeien, vaak recht omhoog. Waterloten ontstaan bij verslechterende groeiomstandigheden, bij zware snoei of bij plotselinge blootstelling aan licht. De boom probeert middels deze takken zijn verloren bladvolume te herstellen. Voordat deze takken gesnoeid worden, moet de oorzaak ervan worden opgelost, anders zal de snoei leiden tot nog meer waterloten. Haal bij snoei nooit al het waterlot in één snoeibeurt weg maar in fases in de zomer. Anders zal de boom reageren met het aanmaken van nog meer waterlot.
Twee toppen ontstaan naast elkaar omdat twee eindknoppen zich gelijktijdig ontwikkelen of de eindknop afsterft en de bovenste twee zijknoppen zich ontwikkelen. Indien dit binnen de tijdelijke kroon gebeurt, zal één van de toppen moeten worden verwijderd om problemen in de toekomst te voorkomen. Wanneer de toppen oost-west georiënteerd zijn, wordt de oostelijke top verwijderd in verband met de sterke westenwinden. Is de richting noord-zuid, dan wordt de zuidelijke top verwijderd in verband met de groeirichting naar het licht. Zit de dubbele top in de definitieve kroon en is deze goed aangehecht - te herkennen aan een duidelijke U-vorm - dan kan deze vaak gehandhaafd blijven en draagt het bij aan de karakteristieke ontwikkeling van de kroonvorm. In de definitieve fase dient de eigen specifieke habitus van de boom geaccepteerd te worden en is het ongewenst de kroon tegennatuurlijk te snoeien.
Wanneer twee takken in een kroon elkaar direct kruisen, zullen ze tegen elkaar aan gaan schuren. Op de schuurplek ontstaan beschadigingen en daarmee een bron voor binnendringende ziektes en plagen. De tak die het meest naar binnen groeit zal geheel of gedeeltelijk moeten worden verwijderd om dit probleem op te lossen. Wanneer schurende takken al jaren aanwezig zijn en zelfs neigen naar vergroeiing met elkaar, dan is het beter niet in te grijpen en de takken te handhaven. Bij onderhoudssnoei worden uitlopers aan de stamvoet en op de takvrije stam meestal ook verwijderd. Deze takken moeten zo kort mogelijk worden weggehaald zonder de stam te beschadigen, dus met het kleinste wondoppervlak aan de basis van de scheut. Het verwijderen van uitlopers wordt gedaan voor het beeld, niet om de boom te begeleiden in een evenwichtige kroonopbouw. Een andere mogelijkheid is uitlopers aan de stamvoet niet helemaal te verwijderen maar in vorm te snoeien, bijvoorbeeld als een haag. Er ontstaat dan een ander eindbeeld, waarvoor in het beplantingsplan al bewust voor gekozen kan worden. Vooral lindebomen lenen zich voor een dergelijke toepassing.