Overbewatering
Het ligt misschien voor de hand maar een goede inrichting van de groeiplaats is essentieel. Hiervoor zijn een aantal zaken belangrijk in en rondom het plantgat:
Drainage; een goede waterafvoer, ofwel drainage, is hier een belangrijk onderdeel van. Dit doe je onder andere door verticale gaten te boren met een grondboor en deze te vullen met lavasubstraat. Overvloedige drainage kan ook verdroging van de boom veroorzaken. Het kan ook helpen om betere aanplantgrond rond de wortels aan te brengen. Dit kan bomenzand zijn of een mycorrhiza-houdende aanplantgrond. Ook storende lagen kort onder het plantgat kunnen waterafvoer belemmeren. Door middel van een grondboring is dit te constateren.
Zuurstofpercentage; zuurstofvoorziening rond de wortelzone is essentieel voor een goede ontwikkeling van het wortelgestel. Met name bij aanplant in een versteende omgeving zoals straten en pleinen speelt dit een grote rol. Ook door verdichting van de grond rond het wortelpakket door verkeer of machines daalt het zuurstofgehalte. Een zuurstofpercentage tot 12% veroorzaakt verroting. Tussen de 12 en 18% stagneert de wortelgroei en bij meer dan 18% groeit het wortelgestel. Bomen leven in symbiose met schimmels die nodig zijn voor de voedingsopname. Deze schimmels zijn ook zeer gevoelig voor zuurstofgebrek. Om die reden neemt ook de opname van voedingsstoffen af zodra de boom een tekort aan bodemventilatie ondervindt. Aanplant in grond met voldoende humusrijk materiaal zorgt voor een herstelde balans. Verse compost mag echter nooit door de grond gemengd worden: het verteringsproces van compost of houtsnippers onttrekt zuurstof uit de bodem. Bij toepassing van verteerde compost is het verstandig niet meer dan 10% door het plantgat te mengen i.v.m. het onttrekken van te veel zuurstof aan de bodem
Vochtgehalte; bij aanplant is het belangrijk dat de grond vochtig is, maar niet meer dan dat. Het planten van een boom in een met water volgelopen plantgat is zeer sterk af te raden. Ook het bewerken van natte gronden alvorens het planten is niet aan te raden, omdat dit de grond verdicht. Door verdichting in met waterverzadigde grond kunnen zelfs ‘slechte’ schimmels – zoals verticillium – tot ontwikkeling komen. Voor optimale aanplantresultaten is het aan te raden om altijd in droge omstandigheden te werken.
Er zijn bepaalde boomsoorten (veelal met vlezige wortels) te onderscheiden die het moeilijker hebben met natte weersomstandigheden en structuurloze bodems. Dit zijn Fagus sylvatica (gewone beuk), Sorbus (lijsterbes), Prunus (kers), Acer (esdoorns) en Juglans (walnoot). Dit betekent niet dat deze niet meer toegepast kunnen worden; wel is het verstandig natte situaties te vermijden. Extra aandacht voor de groeiplaats en grondtypen maken het mogelijk om deze bomen te blijven toe te passen.
Sommige boomsoorten zijn zeer adaptief en kunnen overstromingen aan. Vaak zijn dit slechts kortstondige overstromingen en staan bomen dan al langer vast. Echte krachtpatsers die beter tegen langdurige overstroming kunnen zijn Salix (wilg), Alnus (els) Taxodium (moerascipres), Populus (populier) en Ulmus (iep). Voor situaties waar blijvend natte omstandigheden verwacht worden kan beter gekozen worden voor het aanplanten van jonge bomen omdat deze met natte omstandigheden makkelijker kunnen omgaan. De juiste boomsoort kiezen voor natte situaties kan eenvoudig in de TreeEbb.